Vrijdagmiddag, in een meer dan loeidrukke week zet ik een kopje thee voor mezelf. Ik zat midden in een bedrijfsverhuizing en natuurlijk gingen dingen fout. Accountmanagers van het telefoon- en internetbedrijf waren gewisseld als regendruppels op het raam in de herfst. Niemand wist meer ergens af en maandag zou de verhuiswagen komen, maar telefoon en internet was niet geregeld toen we de sleutel kregen. Dus wéér nog een tandje bijgezet. En dat na twee jaar waarin er gereorganiseerd was, impopulaire beslissingen genomen moesten worden en het privé druk was met studie, bedrijf opzetten, een pup en ziek dier.

En toen was daar dat theezakje dat aan me vroeg: wanneer was jij voor het laatst echt blij? In mijn drukte viel ik ineens stil. Wanneer was ik blij? Echt blij???? Ik kon het oprecht niet zeggen. Zelfs toen mijn kat na negen maanden gevonden werd op vijftien kilometer afstand van huis lag er een schaduw over m’n blijdschap. Door alles wat ik had meegemaakt. De klik van de waterkoker haalde mij uit m’n gepeins. Ik zette thee en besloot dat het even klaar was. De telefoon ging, appjes stroomden binnen en een SMS dat ik voicemail had negeerde ik. Nu was ik even aan de beurt. Met een mega groot glas thee zakte ik op de bank.

Opnieuw stelde ik mezelf de vraag: wanneer was ik voor het laatst onbevangen blij? En mogelijk nog belangrijker: wat was er met me gebeurd dat ik niet meer echt blij kon zijn?

Het antwoord wist ik wel. Ik had het geleerd bij m’n opleiding tot Body Mind Release therapeut. Het was m’n gekwetst stuk. Iets in mij was gekwetst. Ikzelf als geheel ben onbevangen maar in het leven gebeuren dingen die pijn doen, verdrietig of boos maken. Angst veroorzaken.

Zie het als een Matroesjka. Het grootste popje is blij. De kleine poppetjes binnenin zijn gekwetst. Maar het grote poppetje niet!

Voor mezelf had ik ooit een gekwetst poppetje gemaakt. Ik liep naar m’n bureau en haalde het eruit. Ik zette het voor me op tafel. “Weet je”, zei ik tegen het poppetje, “ik begrijp jou, ik begrijp dat je gekwetst bent.” Terwijl ik dat zei voelde ik m’n schouders zakken. Wat een opluchting. Begrip voor de pijn en het verdriet. Het verdriet van het gekwetste deel in mij.

Ik vertelde m’n gekwetste deel dat ik begrip had maar dat alleen dat deel het op kon lossen. Het gekwetste deel moest loslaten. Verdriet en boosheid kan alleen ontstaan als je toelaat dat anderen je dat doen. Dat geeft ze macht. En alleen jij kunt hier iets mee. Jij bepaalt wat je toelaat en wat niet.

Ik ben m’n oefeningen gaan doen. Twee dagen later liep ik met m’n man in het bos. Hij pakte me op een bepaald moment bij m’n hand en zei: “je loopt te neuriën”. Ik bleef staan en lachte. Ja! Ik lachte, nog niet voluit, maar wel veel blijer dan in de laatste twee jaar.

Bij thuiskomst pakte ik m’n poppetje en zei: “goed bezig! Jij komt er wel!”